Dag des niet oordeels (2)

Als we heel eerlijk zijn, kennen we het verschijnsel allemaal wel; we zien iemand die naar onze (razendsnelle) overtuiging niet past binnen ons eigen groepje en hup, we hebben onze mening meteen klaar. Vaak is de drang om anderen te bekritiseren afkomstig uit de diep gewortelde behoefte om onze eigen capaciteiten, overtuigingen en waarden te toetsen.

De Amerikaanse professor en bestsellerauteur Brené Brown stelt dat schaamte, angst en bezorgdheid de ideale voedingsbodem zijn om anderen te veroordelen. Als we zelf door anderen veroordeeld worden, voelen we ons gekrenkt en beschaamd dus veroordelen wij op onze beurt weer anderen om onszelf beter te voelen.

Nog verder gaat de Amerikaanse schrijfster Byron Katie, die ons in haar boek Loving what is helemaal met de neus op de minder fijne feiten drukt. Zij gaat zelfs zo ver dat ze stelt dat datgene waaraan we ons bij anderen het meeste ergeren, juist ook datgene is waar we onszelf aan schuldig maken. Zij komt tot dit onrustbarende inzicht door toepassing van de turnaround, het omdraaien van jouw oordeel. De kern hiervan is dat je de naam van de persoon over wie je klaagt of oordeelt, vervangt door ‘ik’,  Een hele confronterende exercitie, kan ik je vertellen.

Voorbeeld 1:

Klacht: ‘Mijn moeder is zó dominant. Ik erger me groen en geel aan haar!’

Turnaround: ‘Ik ben zó dominant. Ik erger me groen en geel aan mezelf!’

Voorbeeld 2:

Klacht: ‘Ik kan mevrouw X niet uitstaan! Ze luistert nooit als ik haar iets vertel.’

Turnaround: ‘Ik kan mezelf niet uitstaan! Ik luister nooit als anderen iets vertellen.’

Voorbeeld 3:

Klacht: ‘Ik ben boos op en teleurgesteld in meneer Y omdat hij me niet waardeert.’

Turnaround: ‘Ik ben boos op en teleurgesteld in mezelf omdat ik mezelf niet waardeer.’

Get the point?

Als je van deze mentale dreun bekomen bent, kun je aan de slag om te werken aan jezelf zodat je hiervan af komt.

Wij mensen lijken meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen. Het is uiteindelijk altijd ons ego dat ons aanzet om ons ‘gelijk’ te willen halen door anderen te veroordelen. Het probleem met gelijk hebben is echter dat een ander dan per se ongelijk heeft. Hierdoor leidt veroordeling tot verwijdering in plaats van tot verbinding.

Een mogelijke oplossing voor dit probleem is om bewust aan dankbaarheid te doen. Probeer maar eens oprecht dankbaar te zijn en tegelijkertijd anderen te veroordelen. Dat gaat je niet lukken. Deepak Chopra adviseert om je ten opzichte van mensen die anders zijn dan jij zelf als ‘ouders’ te gedragen; zelfs de grootste ergernissen of tekortkomingen worden dan iets waarmee je ze zult willen helpen in plaats van ze ervoor te verketteren. Bijkomend voordeel is dat als je stopt met anderen te veroordelen, je tegelijkertijd ook je zelfkastijding beëindigt (denk aan de voorbeelden van Byron Katie).

Daarom daag ik je bij deze uit om ook eens een dag lang op te letten of je mensen taxeert en alvast een etiket opplakt of in een hokje stopt. Ben je echt tolerant of alleen deels? Ben  je verdraagzaam diep van binnenuit jezelf of alleen als het sociaal wenselijk is?

Sinds ik me jaren geleden bewust ben geworden van mijn (ver)oordelend gedrag, doe ik mijn uiterste best om niet meer in die val te trappen. Om een open mind te houden, om niemand buiten te sluiten. En hoewel ik inmiddels gelukkig veel verbetering zie, lukt het me helaas nog niet voor de volle honderd procent van de tijd.

Het belangrijkste is dat je je eerst realiseert wat je aan het doen bent, dan is er al veel gewonnen. De scheidslijn tussen ‘wij’ en ‘die anderen’ is flinterdun. Sterker nog, wij zijn zelf ‘die anderen’. Of zoals Brené Brown het zo mooi zegt in haar boek I thought it was just me (but it isn’t): ‘We zijn slechts één loonstrookje, één echtscheiding, één drugsverslaafd kind, één ernstige ziekte, één aanranding, één woest drinkgelag, één nacht onbeschermde seks of één buitenechtelijke affaire verwijderd van ‘die anderen’ – degenen die we niet vertrouwen, met wie we medelijden hebben, met wie we onze kinderen niet laten spelen, degenen die alle slechte dingen meemaken, degenen naast wie we niet willen wonen.’

Dat is de pijnlijke en ongemakkelijke waarheid.

 

Dag des niet oordeels (1)

Een jaar of zes geleden (voor ingewijden: in mijn periode vóór de uil) lees ik ergens dat mensen standaard zo zijn geprogrammeerd dat ze zich bewust of onbewust altijd met anderen (willen) vergelijken en dan meteen hun oordeel – positief of negatief – vellen.  Denk bijvoorbeeld maar eens aan al die onderzoeken die zouden uitwijzen dat we binnen twee (!) tot maximaal dertig seconden na een eerste ontmoeting onze indruk al klaar hebben. Stereotypen worden zelfs al in milliseconden geactiveerd.

Toen ik dit tot me door liet dringen was mijn eerste gedachte: Dat doe ik niet. Maar onmiddellijk hierna hoorde ik dat irritante innerlijke stemmetje vragen: ‘Of toch wel?’ Ik besloot er eens op te gaan letten. Vierentwintig uur later was ik me niet alleen rot geschrokken, maar was ik ook een illusie armer: ik deed niets anders.

Tijdens mijn proefperiode betrapte ik me er namelijk op dat ik inderdaad de hele dag alles en iedereen be- en soms zelfs ook véroordeelde. Vanaf het moment dat ik mijn ogen open deed totdat ik naar bed ging, nam ik iedereen voortdurend stilzwijgend, hardop of – in het ergste geval – luidkeels (zij het buiten gehoorsafstand) de maat. Ik veroordeelde mensen omdat ze er net iets anders dan anders uitzagen, hele andere dingen leuk vonden om te doen dan ik of zich publiekelijk anders gedroegen dan ik. Of ik het nu wilde of niet, op de een of andere manier viel het me op, keek ik ernaar en dacht of zei er dan het mijne van.

De ontdekking dat ik in de praktijk lang niet zo tolerant bleek te zijn als ik dacht bracht destijds bij mij een schok teweeg, temeer omdat ik oprecht van mening was (en nog steeds ben) dat je iedereen in zijn of haar waarde moet laten en niemand het verdient te worden buitengesloten.

Gewapend met de wijsheid dat je alleen datgene kunt veranderen waar je je van bewust bent, startte ik een zoektocht ter beantwoording van de vraag hoe dit in godsnaam mogelijk was. Mijn onderzoek leverde al snel een even eenvoudig als ontluisterend antwoord op: mensen zitten nu eenmaal zo in elkaar. We willen altijd graag ergens bij horen. Bij een bepaalde familie, sportclub, fanfare, vrijwilligersverband, vriendengroep, stadsdeel, geloof, seksuele geaardheid, nationaliteit of werkkring horen biedt een gevoel van geborgenheid, zekerheid en verbinding. Dat dit zelfs in negatieve zin zo werkt, bewijst de hele gangcultuur.

Het gevoel ergens echt deel van uit te maken raakt dus kennelijk een snaar die we allemaal hebben en waarnaar we altijd (onbewust) op zoek zijn. Het tragische is echter dat juist als we stevig in zo’n groepje zijn genesteld, we eerder geneigd zijn ons te gaan afzetten tegen iedereen die níet bij ons groepje hoort. Vanuit ons veilige collectief lopen we het risico een superioriteitsgevoel te krijgen en gaan we vergelijken en be- of veroordelen tot we een ons wegen. Dit leidt uiteindelijk tot een wij-zij gevoel. Als dit laatste de overhand krijgt, is de verbinding met alle anderen die buiten de groep vallen ver te zoeken.

Nadat ik was bekomen van de eerste schrik besloot ik dat ik zo snel mogelijk van mijn automatisch be- en veroordelingsgedrag af wilde. Zodoende ging ik me verder verdiepen in deze materie.

En toen werd het pas echt interessant.

 

Lees volgende week deel 2!

Gunfactor

Als je in Nederland je kop boven het maaiveld uitsteekt, zijn er maar al te veel gegadigden die hem met liefde terug willen duwen waar die vandaan kwam. Ik vind dit een fascinerend fenomeen. Waar komt dit gevoel om anderen hun succes te misgunnen toch vandaan?

Als eerste denk ik dat dit komt omdat wij het land zijn van ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Met andere woorden: blijf vooral braaf in je hok en verroer je niet. En ga zéker niet buiten de gebaande paden, want er is een heel legioen dat dit niet kan uitstaan en je maar al te graag terughaalt en neersabelt. Want mensen die zichzelf klein houden, willen liefst dat iedereen om hen heen hetzelfde doet zodat ze niet het idee hebben dat ze achterop raken.

Al lezende in de meest uiteenlopende boeken duikt er al snel een tweede mogelijke reden op: als mensen anderen niets gunnen is dit vanuit het diepgewortelde idee dat er ‘niet genoeg is voor iedereen’. Bezien vanuit een economisch perspectief, dat uitgaat van het principe van ‘schaarste’, is dit standpunt alleszins begrijpelijk. Er is nu eenmaal geen onbeperkte markt voor dezelfde soort producten of diensten dus wordt de concurrentie hevig. Dit stimuleert het ‘ieder voor zich’ gevoel, hetgeen ertoe leidt dat men geen kennis en ervaring wil delen met anderen, zich bedient van ‘ellebogenwerk’ en er in het uiterste geval zelfs niet voor terugdeinst om anderen rücksichtslos van de carrièreladder te duwen als dat zo uitkomt op de weg omhoog.

In het Westen is dit ‘schaarsteprincipe’ zo ingebakken in onze cultuur, dat we er niet bij stilstaan dat men op vele plekken elders in de wereld – met name in de Oosterse beschavingen – juist het principe van overvloed aanhangt. Zoals het woord al zegt gaat deze tegenhanger van ons schaarstebegrip ervan uit dat er altijd meer dan genoeg is voor iedereen, dit tegen de achtergrond van de overtuiging dat alles en iedereen met elkaar verbonden is in een veld vol oneindige mogelijkheden. Het vergt niet veel inlevingsvermogen om je voor te stellen dat afgunst dan veel minder kans krijgt om zijn onsympathieke kop op te steken.

De mooiste omschrijving van afgunst of jaloezie trof ik eens aan in een Happinez Scheurkalender: ‘Jaloezie betekent dat je je geluk laat afhangen van het geluk of ongeluk van een ander, maar dan in omgekeerde zin; het maakt jou gelukkig als de ander ongelukkig is, verdrietig als de ander gelukkig is.’ Als ik deze definitie zwart op wit lees, wordt de lelijkheid van dit gevoel extra benadrukt. Want hoe diep moet je vallen om gelukkig te worden door andermans ongeluk?

‘Voor het omgekeerde: gelukkig zijn om andermans geluk, hebben de boeddhisten een woord: mudita. Wij hebben dat niet en ook de andere westerse talen niet. We kennen wel vervangende schaamte, maar geen vervangende blijdschap. Dat geeft te denken’, lees ik verder. Ik ben het hiermee roerend eens.

Gelukkig zijn om andermans geluk. Hoe mooi zou het zijn als ook wij in onze westerse competitieve samenlevingen dit gevoel zouden kunnen internaliseren? Ik weet zeker dat de wereld er dan een stuk mooier uit zou zien. Niet alleen voor degenen die iets moois hebben of meemaken en daar gelukkig van worden. Maar eveneens voor degenen die deze ‘gelukkigen’ aanmoedigen en hen dit geluk van ganser harte gunnen. Oprechte ‘aanmoedigers’ zullen zelf ook positieve gevoelens ervaren omdat ze iets goeds doen. Bovendien delen ze zo in andermans gevoel van succes en blijdschap en dragen dit op hun beurt uit, zodat delen vermenigvuldigen wordt. Gevoelens van afgunst kosten daarentegen alleen maar negatieve energie dankzij alle bijbehorende boosheid, angst en frustraties.

Dan heb ik het nog niet eens gehad over de consequenties voor je gezondheid. Uit onderzoek blijkt dat optimisten gemiddeld zeven jaar langer leven dan pessimisten en dat mensen die regelmatig positieve gedachten en gevoelens ervaren een veel kleinere kans hebben om te overlijden aan hart- en vaatziekten dan mensen die gevoelens als haat en vijandigheid koesteren. Een harde opstelling naar anderen blijkt letterlijk te leiden tot (ver)harde (slag)aderen.

Herken je iets van je afgunstige zelf in dit verhaal, weet dan dat het nooit te laat is om het over een andere boeg te gooien. De eerstvolgende keer dat je een succesverhaal van iemand anders hoort, probeer je dan in die ander te verplaatsen en je blij te voelen voor die ander. Je krijgt namelijk altijd terug wat je geeft.

Lang leve de gunfactor!

Doe kleine dingen met grote liefde

Sinds een aantal jaren ben ik lid van een serviceclub, een groep bevlogen vrouwen die graag de handen uit de mouwen steken voor een goed doel. Ons motto is: Do small things with great love.

Lange tijd heb ik gedacht dat ‘iets goeds doen voor een ander’ alleen maar kon bestaan uit een groot(s) gebaar. Anders zou het toch niet zo veel uitmaken, meende ik. Inmiddels weet ik dat niets minder waar is. Juist de kleinste gestes maken het grootste verschil.

Een mooi voorbeeld hiervan beleefde ik een tijd geleden. Het was de zaterdag voor het lange Paasweekeinde en ik had bedacht een aantal mensen te verrassen met takken kersenbloesem. Ik kocht vijf ‘boeketten’ bij een buurtsuper en ging ze afleveren bij drie goede vriendinnen, mijn zoon en mijn bejaarde buurvrouw. Overal belde ik op goed geluk aan. De eerste vriendin was thuis en vond het zo leuk dat ze me spontaan uitnodigde voor een lekkere kop thee. Na even gezellig te hebben bijgepraat begaf ik me naar het appartement van zoonlief, die ook in zijn nopjes was met deze onverwachte lentebode. Bij de volgende stops bleken de dames helaas niet thuis, maar gelukkig waren hun wederhelften bereid de takken in het water te zetten. Bij thuiskomst gaf ik het laatste boeket aan mijn buurvrouw, die me zeker driemaal bedankte voor het ‘mooie cadeau’, om nog maar te zwijgen van de lieve bedank-appjes van mijn beide vriendinnen nadat ze tot hun verrassing de bloemenpracht thuis hadden aangetroffen.

Maar ook immateriële hulp – al is die nog zo klein – kan ver reiken. Zo had ik eens een feestje. Toen ik net had aangebeld, verscheen een kennis naast me aan de voordeur die ook was uitgenodigd op het feest. Bij het zien van mijn cadeautje schrok zij zichtbaar en zei ze dat ze helemaal vergeten was om iets mee te nemen. Omdat ik me maar al te goed kon voorstellen hoe zij zich moest voelen, bood ik spontaan aan dat ik mijn cadeau uit naam van ons beiden zou geven. Probleem opgelost. Ik had het nog niet gezegd of de gastheer opende de deur, ik bood het presentje aan met mijn leugentje om bestwil en eind goed, al goed. Iedereen gelukkig en het werd een gezellig samenzijn. Toen ik de volgende ochtend mijn gsm aanzette, zag ik een bedankbericht van mijn kennis. Ze wilde me laten weten dat ze het zo’n attent, spontaan en lief gebaar had gevonden, dat had haar echt deugd gedaan. Ze bood zelfs nog aan om bij te leggen aan het cadeau, maar dat was echt niet nodig. Haar bericht maakte dat mijn dag al niet meer stuk kon.

Deze twee voorbeelden illustreren dat oprechte aandacht en een goede timing veel belangrijker zijn voor de positieve impact die je hebt op je medemens dan de grootte van het geschenk of gebaar. Een klein gebaar uit grote liefde kan het verschil maken en zelfs letterlijk levens redden, getuige het prachtige boek Chicken soup for the soul waarin talrijke persoonlijke verhalen zijn opgetekend die hiervan het bewijs leveren. De zoveelste bevestiging dat mensen sociale wezens zijn die de oerbehoefte hebben om gezien en gehoord te worden, zowel in figuurlijke als letterlijke zin.

Daarom probeer ik tijdens wandelingen of het doen van boodschappen altijd even oogcontact te maken met passanten. Als dat lukt groet ik ze en glimlach ik even naar hen. Vrijwel altijd krijg ik een glimlach terug. Soms ontstaat er in het voorbijgaan zelfs een kort praatje. Telkens als iemand mijn glimlach beantwoordt of op mijn opmerking reageert met een kwinkslag ervaar ik een moment van geluk en verbondenheid. Juist dit zijn de ogenblikken die ertoe doen in een mensenleven. Bovendien heeft onderzoek uitgewezen dat vriendelijkheid ‘besmettelijk’ is want de aangesprokene is daarna eerder geneigd ditzelfde te doen bij een ander.

Kom dus uit je comfortzone en probeer het eens.

De wereld zal er alleen maar mooier van worden.

 

Lachtherapie

Martha Beck, life coach en een van mijn favoriete non-fictie schrijfsters, weet het in haar boek The Joy Diet zeker: we moeten minimaal dertig keer per dag lachen. Als je dat veel lijkt, denk dan eraan dat een klein kind gemiddeld meer dan 400 keer per dag lacht, zo legt ze uit. Want ik geef toe, ik vond dertig keer op voorhand al best veel lijken.

Toch is dit aantal het absolute minimum. Want lachen blijkt inderdaad gezond. Het breekt door innerlijke geestelijke barrières, waardoor je gedachten, intuïties en gevoelens vrijelijk kunnen bewegen. Daardoor maakt het je creatiever. Maar lachen heeft ook een positief effect op je lijf. Onze inwendige scheikundige fabriek verandert behoorlijk als we lachen. Zo leidt het tot een vermindering van stresshormonen maar tot een toename van natuurlijke afweercellen en van endorfines, de feel good hormonen. Die laatste lijken er ook verantwoordelijk voor te zijn dat lachen werkt als een sociaal bindmiddel.

Behalve dit minimum aantal lachsalvo’s geeft Martha haar lezers als extra opdracht mee vooral juist te lachen in stressvolle, onplezierige of verbijsterende situaties. Als ondersteuning hiervoor wijst ze erop dat mensen sowieso meestal geneigd zijn te lachen in situaties waarin we ons ongemakkelijk voelen, zoals bijvoorbeeld bij kietelen of als er moppen worden getapt die (ver) over het randje van maatschappelijk betamelijk zijn.

Een voorbeeld van iemand die het ‘lachen is gezond’-credo wel erg letterlijk nam, is de auteur Norman Cousins. In zijn boek The Anatomy of an Ilness beschrijft hij hoe hij herstelde van een als ongeneeslijk bestempelde ziekte. Hij sloot zich op in een hotelkamer en keek een aantal uren per dag naar Marx Brothers films. Na tien minuten lachen constateerde hij dat zijn pijngrens behoorlijk naar boven was bijgesteld en na zo’n drie uur gieren was hij zelfs de rest van de dag bijna pijnvrij. Norman Cousins heeft zo een overtuigend verhaal dat lachen – mits je jezelf er geestelijk toe kunt brengen – een waardevolle aanvulling op een medische behandeling zou kunnen zijn.

Allemaal leuk en aardig, deze theorieën, maar hoe kom je nu aan je benodigd aantal LPD’s (Laughs Per Day)? Volgens Martha Beck hangt dat af van hoe je genetisch in elkaar steekt (ben je van huis uit een stuk chagrijn of een lachebek?), van de situatie waarin je je bevindt (bij een crematie lach je over het algemeen toch een stuk minder dan bij Youp van ’t Hek) en van iets dat zij humor fitness noemt. Iemand is in haar ogen humor fit als die voortdurend en bewust redenen vindt om te lachen, ongeacht de omstandigheden. En, zo voegt ze hier nog aan toe, mensen die heel erg humor fit zijn lachen vooral om die ene onuitputtelijke bron die ze altijd bij zich hebben: zichzelf. Hoera! Dat maakt dat ik nu officieel zeer fit ben op humorgebied, want ik vind inderdaad altijd wel redenen om te lachen en niet in de laatste plaats om mezelf. Niks zo erg als mensen die alleen maar bloedserieus zijn en nooit om zichzelf kunnen lachen. Een dag niet gelachen is immers een dag niet geleefd.

Maar als je daar zelf (nog) niet zo handig in bent, geeft Martha gelukkig nog wat praktische tips. Zo kun je je omringen met mensen die wel snel en veel lachen. Door het sociaal besmettelijke karakter van lachen heb je in het gezelschap van frequente lachers namelijk een gerede kans meteen flink over de dertig stuks per dag te komen. Daarnaast zou je, als je in de trieste situatie bent dat je niemand kent die snel en veel lacht, je toevlucht kunnen nemen tot ‘mechanische stimulatie’. Oftewel: kijken of luisteren naar mensen die (al dan niet ingeblikt) lachen. Of je wilt of niet, maar vroeg of laat moet je ook zelf lachen.

Maar de mooiste – en gekste – tip is Lachen Zonder Enige Reden. Martha Beck kwam bij haar zoektocht een yogavorm op het spoor die, eerlijk waar, de ‘Ho-Ho-Ha-Ha-Ha’ methode heet. Lachyoga dus/ Deelnemers leren allereerst maar liefst een minuut lang te lachen zonder enige aanleiding. Daarna zijn er dagelijkse (!) groepssessies waar 15 tot 20 minuten wordt gelachen zonder dat er ook maar iemand een mop vertelt. Nu ik er over nadenk zou het best eens kunnen dat Geer en Goor zich deze praktijken in het geniep hebben eigen gemaakt. Het zou in ieder geval veel verklaren.

Geïnspireerd geraakt besloot ik het lachen zonder reden zelf eens uit te gaan proberen. Teneinde te voorkomen dat ik gestrekt en geboeid door mannen in witte pakken zou worden afgevoerd, deed ik dit in de veiligste omgeving die ik zo gauw kon bedenken: mijn eigen auto. En zo kwam het dat ik, stapvoets rijdend in zo’n allesbehalve grappige ochtendfile, ineens hardop in lachen uitbarstte. In eerste instantie schrok ik van mijn eigen durf en mijn nogal schelle, totale nep lach. Maar vervolgens vond ik de situatie zo achterlijk dat ik prompt echt moest lachen. Waarna ik me realiseerde dat ik nu vals speelde omdat het immers de bedoeling was dat ik lachte zonder reden. Hetgeen weer een nieuwe lachbui veroorzaakte. Enfin, laten we het er op houden dat ik uiteindelijk zo op tien à vijftien stuks zat en de dag moest nog beginnen. Voorwaar geen slecht resultaat voor een beginneling.

En mocht ik je nu nog steeds niet hebben overtuigd: lachen is tenslotte heel goed voor je buikspieren. Dus als je jezelf niet tot in de sportschool kunt slepen om die ellendige, pijnlijke en stomme buikspieroefeningen tot vervelends toe te doen, kun je je nog altijd een sixpack láchen.

Grapje!

Ho-Ho-Ha-Ha-Ha!

Radicaal Integraal!

De geest is uit de fles. Preventie en integralere gezondheidszorg zijn here to stay. Zo is het Nationaal Preventieakkoord gericht opterugdringing van roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht. De gecombineerde leefstijlinterventie (GLI), nieuw in de basisverzekering, bevordert de gezondheid van volwassenen met overgewicht door het aanleren vangezonde eet-, slaap- en beweeggewoontes en het adviseren inzake stressvermindering.

Ook zijn er steeds meer dokters die de positieve effecten van leefstijl op (chronische) ziektebeelden uitdragen. In 2016 richtte huisarts Tamara de Weijer de Vereniging Arts en Voeding op omdat uit onderzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bleek dat de geneeskundeopleiding – in het gunstigste geval – slechts anderhalve week voedingsles aanbiedt. De Weijer in Medisch Contact: ‘Patiënten kunnen zichzelf beter maken (…). Ziekten die ontstaan door leefstijl moet je ook behandelen met leefstijl. We laten de eeuw van de medicijnen achter ons en gaan nu de eeuw van de leefstijl in.’

Veelbelovend is dat het Raamplan Artsopleiding 2019 van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra de rol van de dokter als ‘gezondheidsbevorderaar’ opneemt als competentie. Bovendien besteden enkele medische faculteiten inmiddels meer aandacht aan voeding en leefstijl.

Ik zou echter nog een stap verder willen gaan en het onderwerp ‘geestkracht’ willen toevoegen aan dit rijtje. Het placebo-effect – geloof in de werking van een neppil, nepbehandeling of nepoperatie leidt tot vermindering van medische klachten of zelfs tot genezing – toont immers overtuigend aan dat de geest het lichaam kan helen. Sterker nog, ik heb zelf ervaren dat je je eigen placebo kunt zijn zodat je die suikerpil, fake ingreep of (in mijn geval) morfine na een operatie niet eens nodig hebt om gezondheidswinst te boeken. Dat vereist weliswaar een scherpe focus en de nodige training, maar in principe kan iedereen dit leren door het toepassen van meditatie, affirmatie en visualisatie.

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat visualisatie, het in de geest zo levendig mogelijk oproepen van bepaalde beelden, een positieve invloed kan hebben op gezondheid, bijvoorbeeld bij kanker, copd, astma en herstel na plaatsing van een kunstknie. Mensen die visualiseren dat hun immuuncellen toenemen en kankercellen worden uitgeschakeld hebben vaker een beter immuunsysteem met meer tumorvernietigende cellen dan degenen die dit niet doen. Ook rapporteren ze een hogere levenskwaliteit, een factor die wordt gelinkt aan een betere overlevingskans. Visualisatie leidt bovendien tot minder pijn(beleving), lagere niveaus van stresshormonen en zelfs tot fysieke veranderingen in de hersenen door neuroplasticiteit, het aanpassingsvermogen van het brein. Bij sporters en mensen die herstellen van een beroerte is aangetoond dat visualisatie een biologische verandering veroorzaakt op die lichaamsplek waarop hun focus specifiek was gericht.

Ook zorgt visualisatie voor de aanmaak van bepaalde hormonen. Als iemand liefdevolle beelden oproept, produceert het lichaam bijvoorbeeld oxytocine (knuffelhormoon). Daardoor daalt de bloeddruk en ontstaat een positief effect op onze spijsvertering en wondgenezing.

Onze verbeeldingskracht heeft zo’n grote lichamelijke effecten omdat onze hersenen (vrijwel) geen verschil kunnen maken tussen een echte gebeurtenis en een die wij ons slechts levendig voorstellen. Visualisatie kan er dus voor zorgen dat ons brein precies de juiste chemische stoffen produceert die op hun beurt weer specifieke genen ‘aanzetten’ die van invloed zijn op gezondheid en herstel, terwijl andere genen (die ziekte veroorzaken) worden ‘uitgezet’.

Nu geloof een placebo-effect heeft en visualisatie aantoonbaar ons immuunsysteem activeert en zodoende ons lichaam kan helpen genezen van ziekte en verwondingen, kan een zichzelf respecterende integrale gezondheidszorg niet zonder deze instrumenten, die ook nog eens veilig én gratis zijn.

Een synthese van reguliere gezondheidszorg, leefstijl en geestkracht – desgewenst aangevuld met aantoonbaar effectieve en betrouwbare alternatieve therapieën – is daarom de beste optie voor onze gezondheid.

Radicaal integraal!

Een iets andere versie van deze blog is op 15 januari 2019 gepubliceerd in De Limburger in de rubriek ‘Het Betoog’ met de titel: ‘De helende kracht van de geest’.

Naschrift redactie: een oplettende lezer meldde dat het profiel van de arts als gezondheidsbevorderaar reeds werd vastgelegd in het Raamplan Artsopleiding 2009. Bij controle blijkt dit inderdaad het geval te zijn. Medische studenten worden ook op dit onderdeel getoetst. De informatie dat ‘het Raamplan Artsopleiding 2019 van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra de rol van de dokter als ‘gezondheidsbevorderaar’ opneemt als competentie’ werd door mij gehaald uit een artikel in MedischContact.nl, getiteld ‘Voeding als medicijn. Pillen of paprika’ van Eva Nyst d.d. 29 juni 2017.

Meditatie: kwali-tijd voor jezelf (2)

Toen ik jaren geleden ben begonnen met mediteren kwam mijn geest eindelijk tot rust. Ik realiseerde me dat het in mijn altijd drukke wereld een ongekende luxe is om ongestoord te kunnen zitten, om eens stil te zijn, mijn ogen te sluiten voor alle prikkels en even aan niks (proberen!) te denken door te focussen op mijn ademhaling en die vreemde maar al gauw vertrouwd voelende klanken van mantra’s.

Sinds die allereerste keer ben ik verslaafd. Ik maakte niet alleen de 21-daagse meditatiecyclus van Deepak Chopra en Oprah Winfrey af, ik kocht hem ook (behalve spiritueel zijn Oprah en Deepak ook commercieel en wie kan ze dit kwalijk nemen?) en daarna volgden al snel andere. Al na korte tijd viel er verschil te merken. Dagelijkse meditatie leidde bij mij tot meer focus, betere concentratie en een groter vertrouwen in mijn intuïtie. Op moeilijke momenten putte ik er bovendien hoop, kracht en inspiratie uit. Na verloop van tijd nam mijn stressgevoeligheid duidelijk af. Daarnaast groeiden mijn vergevingsgezindheid, compassie en zelfverzekerdheid. Ik voelde me steeds serener. Mijn meditaties intensiveerden ook mijn beginner’s mind oftewel ik bekeek alles om me heen meer en meer door de verwonderde ogen van een kind dat voor het eerst zijn omgeving ziet. Zo leerde ik de schoonheid van de wereld om me heen veel meer te waarderen.

Diverse onderzoeken waaronder die van Harvard University hebben bevonden dat meditatie ook op een biologisch niveau aantoonbaar is. Zo vergeleek Harvard neurowetenschapper Sara Lazar – die de gezondheidsvoordelen van meditatie eerst zelf heeft ervaren alvorens er ook onderzoek naar te gaan doen – mensen die al lange tijd mediteren met een controlegroep. Daarbij ontdekte ze dat mediteren de hersenen daadwerkelijk verandert. Met name hersengebieden die te maken hebben met zintuiglijk waarnemen, emotieregulatie, besluitvorming, geheugen, leren, empathie en stress veranderen in gunstige zin. Maar ze heeft ook aanwijzingen gevonden dat meditatie kan helpen bij depressie, angsten, slapeloosheid en pijn. Ook constateerde ze dat mediteren leidt tot een betere kwaliteit van leven.

Volgens Lazar suggereren de onderzoeksresultaten dat meditatie structurele evidence based veranderingen kunnen produceren in ons brein. Bovendien vond Lazar ook ondersteuning voor de stelling dat meditatie bepaalde verouderingseffecten van de hersenen zou kunnen afremmen. In zekere zin zou je zelfs kunnen zeggen dat meditatie ervoor zorgt dat je jonger wordt. Onderzoek van Nobelprijswinnares Elizabeth Blackburn (The Telomere Effect, p. 153-158) biedt namelijk sterke aanknopingspunten voor de stelling dat meditatie je telomeren verlengt. Een telomeer is de dna-structuur die zich aan het uiteinde van chromosomen bevindt. Bij elke celdeling worden je telomeren ietsje korter, waardoor uiteindelijk biologische veroudering optreedt en ziektes kunnen ontstaan. Telomeren worden vaak vergeleken met de plastic uiteindes van schoenveters. Net zoals deze voorkomen dat de veters gaan rafelen, hebben telomeren de taak om onze chromosomen te beschermen zodat we minder snel verouderen en beter beschermd zijn tegen ziektes. Meditatie kan in die zin dus zelfs bijdragen aan het (deels) terugdraaien van veroudering.

Tenslotte leer je dankzij meditatie dat jij de baas kunt worden over je gedachten. Daardoor kies je uiteindelijk bewust welke gedachten je omarmt en zodoende internaliseert. Want dat zijn de gedachten die jouw gezondheid en jouw leven direct beïnvloeden.

Meditatie mag dus met recht kwali-tijd voor jezelf worden genoemd.

Meditatie: kwali-tijd voor jezelf (1)

Als iemand mij pakweg zes jaar geleden had gezegd dat ik zou gaan schrijven over geestkracht, de mind-body connectie en zelfheling had ik die onverlaat stante pede verplicht laten opnemen (als officier van justitie kon ik dat toen namelijk nog). Eind 2012 kwam daar verandering in toen mijn vaders dood mij in een diep dal deed belanden. Tijdens mijn daarop volgende rouwperiode heb ik – destijds waarschijnlijk de nuchterste persoon op het Westelijk halfrond – een intense spirituele ervaring gehad waarin een uil de hoofdrol speelde. Deze bijzondere gebeurtenis heeft geleid tot een ware transformatie. Sindsdien is er voor mij een leven vóór de uil en een erna.

Een van de vele uitvloeisels van mijn gedaanteverandering is dat ik ben begonnen met mediteren. Ik, een zelfverklaarde controlfreak. Vóór de gebeurtenis met de uil kreeg ik spontaan rode vlekken in mijn nek als ik alleen maar het woord ‘mediteren’ hóórde. Want als ik iemand nou nooit in staat had geacht om dagelijks in die kleermakerszit te gaan zitten en echt tot rust te komen, ben ik het zelf wel. Ik werd al giebelig bij het idee om ‘Ommmmmmmm’ te moeten mompelen terwijl ik niet zozeer mijn hoofd leegmaakte maar dacht aan het puntje van mijn neus dat jeukte, de vuile sokken die nog in de was moesten en mijn eindeloze lijst to do-dingen. Maar toen zag ik een advertentie in O Magazine van Oprah Winfrey (had ik al gezegd dat ik een hardcore fan van haar ben?) voor een 21-daagse meditation challenge samen met Deepak Chopra, die je gratis online kunt doen. Een snelle blik op de site van Chopracentermeditation.com leerde me dat er handige meditatietips te vinden waren, zelfs voor groentjes zoals ik, dus laagdrempeliger kon bijna niet. Zo werd tot mijn grote opluchting benadrukt dat het helemaal niet erg is als je even wordt afgeleid, als je daarna maar weer in stilte de mantra herhaalt die bij de betreffende meditatiesessie hoort.

Op de Dag der Dagen maakte ik een gezellig en – naar ik hoopte – spiritueel hoekje met een klein zilveren Boeddhabeeldje geflankeerd door twee roze theelichtjes. Ik stak ze met veel ceremonieel aan (als ik het dan toch ging doen, dan maar meteen goed), installeerde me op een groot kussen en ging aandachtig luisteren. Eerst vertelde Oprah iets over het thema van die dag, waarna Deepak zijn licht er nog eens dieper over liet schijnen. Ik moet zeggen dat hun woorden bij mij meteen een gevoelige snaar raakten. Geboeid hoorde ik hen aan, waarna de eigenlijke meditatie begon. Braaf herhaalde ik in stilte telkens de exotisch klinkende Sanskrit mantra, Aham Brahmasmi oftewel ‘Ik ben het universum’. Dankzij mijn intense ervaring met de uil kon ik dit met overtuiging doen.

Na een kleine twintig minuten zat het erop. Ik kon niet zeggen dat ik enige outer body experience had gehad en ik was al evenmin in die zeer gewilde lege ruimte geweest die tussen je gedachten zit en waar zich dat illustere veld van onbeperkte mogelijkheden bevindt. Desalniettemin was ik meteen verkocht.

Op zijn minst was het namelijk schaamteloze quality time, kwali-tijd, voor mezelf.

Volgende week het vervolg in deel 2!

 

Ki-kracht (2)

Op 28 november 2018 volgde ik de workshop Ki-kracht van Hans Peter Roel, een auteur die ernaar streeft om Oosterse wijsheid in onze Westerse wereld te integreren. Na een heftige burnout bracht hij ter bezinning langere tijd door in een boeddhistisch klooster hoog in de Himalaya. Daar kwam hij in aanraking met de kracht van Ki, dat ook wel Chi of Qi wordt genoemd. Een oerkracht of levensenergie die je lichaam nodig heeft om goed te functioneren. Iedereen heeft Ki in zich. Als je weet hoe je deze moet gebruiken ervaar je meer energie en ontspanning en krijg je meer inzicht in je diepste zelf.

Nadat we een voorstelrondje hebben gedaan, stelt Hans Peter voor dat we intuïtief een buddy zoeken, iemand met wie we een bepaalde connectie voelen en met wie we de Ki-oefeningen moeten gaan doen. Voor mij niet zo moeilijk omdat ik meteen een heel goed gevoel heb bij mijn buurvrouw. Het lijkt net is alsof ik haar al langer ken. Dit blijkt gelukkig geheel wederzijds.

Hans Peter gaat staan en laat zien hoe we in onze Ki kunnen gaan staan. Rechtop, met de knieën iets gebogen en met het gewicht voor 70% op onze voorvoeten. De armen mogen ontspannen langs het lichaam hangen, het hoofd rechtop, alsof er een touwtje aan onze kruin zit. Het zwaartepunt moet altijd beneden liggen, vandaar de focus op je Ki-punt (vanaf de navel drie horizontale vingers recht haar beneden) of daar waar je voeten contact maken met de aarde.

Al snel moeten we zelf aan de bak. Ik moet haaks op mijn buddy gaan staan. Zij moet haar linkerarm gestrekt voor zich uit houden en zoveel mogelijk kracht zetten. Ik moet proberen om desondanks haar arm naar binnen te buigen. Hoewel ze duidelijk de spieren in haar arm aanspant, slaag ik er na een tijdje toch in haar arm te buigen. Vervolgens moet zij dezelfde arm weer gestrekt houden maar dan op een ontspannen manier met een volledig relaxte hand (dus naar beneden bengelend). Gevraagd wordt dan dat ze zich een voorstelling maakt van hoe de enorme Ki-kracht als water uit een brandslang door haar arm gaat en via haar vingers tot aan het plafond spuit. Als mijn buddy zover is, probeer ik opnieuw haar arm naar binnen te buigen. Maar hoeveel kracht ik ook zet, het lukt me niet. Verbijsterd kijken we elkaar aan. Als we het andersom proberen is het resultaat hetzelfde.

Oefening na oefening maakt duidelijk; als we in onze Ki-kracht staan, dus zonder enige weerstand te bieden, zijn we op ons sterkst. Dit lijkt in tegenstelling met elkaar, maar toch werkt het zo. Op het moment dat ik, gezeten op handen en knieën, te horen krijg dat vanuit de grond een enorm sterke tegenkracht komt, blijkt het voor mijn buddy een fluitje van een cent om mijn arm op te tillen. Maar wordt daarentegen gezegd dat mijn handen helemaal in de grond zijn verankerd, dan blijkt dit enkele beeld voldoende om mijn arm niet van de grond te kunnen krijgen.

De meest tot de verbeelding sprekende oefening is echter die waarin ik door Hans Peter naar voren word geroepen als ‘proefkonijn’.  Ik moet tussen hem en een van de andere (schaarse) mannen gaan staan. Beide heerschappen torenen links en rechts boven mij uit. Ik krijg de opdracht om al mijn kracht te gebruiken om te blijven staan terwijl beide mannen mij onder de arm nemen en mij proberen op te tillen. Ondanks dat ik me schrap zet zweef ik meteen al zeker dertig centimeter boven de grond. Daarna moet ik juist in mijn Ki-stand gaan staan, ontspannen dus en met de focus op de plek waar mijn voeten de grond raken. Als ik aangeef dat ik zover ben, proberen ze het opnieuw. Dit keer krijgen ze me, ondanks rood aangelopen hoofden en maximale krachtsinspanning, nog geen millimeter van de grond. Tot mijn eigen verbazing voelt het voor mij alsof ik vastgebeiteld zit in de vloer. Een zeer bjzondere gewaarwording. Zo blijkt telkens weer overduidelijk uit alle oefeningen dat het lichaam altijd de geest volgt.

Tegen 18.00 uur loopt de workshop ten einde. Iedereen heeft het gevoel dat de vier uren zijn omgevlogen. Hans Peter signeert nog wat boeken en in de zaal nemen nieuwe vrienden en vriendinnen op een warme manier afscheid van elkaar.

Onze gezamenlijke Ki-energie zal nog lang zijn blijven na-ijlen, daar in het mystieke witte kerkje in Baarn.

Ki-kracht (1)

Op 28 november 2018 volgde ik de workshop Ki-kracht van Hans Peter Roel. Voor wie hem niet kent: Hans Peter Roel is een auteur die ernaar streeft om Oosterse wijsheid in onze Westerse wereld te integreren. Na een heftige burnout bracht hij ter bezinning langere tijd door in een boeddhistisch klooster hoog in de Himalaya. Daar kwam hij in aanraking met de kracht van Ki, dat ook wel Chi of Qi wordt genoemd. Een oerkracht of levensenergie die je lichaam nodig heeft om goed te functioneren. Iedereen heeft Ki in zich. Als je weet hoe je deze moet gebruiken ervaar je meer energie en ontspanning en krijg je meer inzicht in je diepste zelf.

Jaren geleden heb ik zijn boeken Ki, Kracht van binnenuit en De vierde dimensie gelezen. Toen al had ik me voorgenomen om ooit een van zijn workshops te volgen en onlangs was het dus eindelijk zover. In het even mystieke als gezellige witte kerkje van Baarn ben ik een van de 27 deelnemers, onder wie slechts vier mannen. Of dit laatste iets betekent en zo ja wat, laat ik hier verder in het midden.

Na ontvangst met koffie, thee en Sinterklaas lekkernijen gaan we in een grote stoelenkring zitten. Hans Peter, brede glimlach en zijn lange slanke gestalte gestoken in donkerblauw hemd met jeans en sneakers, heeft er zin in. Ondanks zijn 54 jaar valt zijn jeugdige uitstraling meteen op, als ook zijn kalme vriendelijkheid (je bent Ki-kracht trainer of je bent het niet). Hij begint met een warm woord van welkom en met een korte uitleg wat Ki-energie precies is. Vervolgens kondigt hij aan dat we in vier uur tijd vele oefeningen zullen gaan doen om deze kracht aan den lijve te ervaren.

Maar eerst komt hij langs met een stapel kaartjes met daarop verschillende spreuken. Ze liggen ondersteboven zodat de spreuken niet zichtbaar zijn. Iedere deelnemer mag zelf een kaart kiezen. Als iedereen een kaart heeft gepakt, worden we één voor één verzocht te zeggen wie we zijn, voor te lezen wat er op het kaartje staat en aan te geven of we de spreuk herkennen in onze levensfase. Als ik mijn kaartje voorzichtig omdraai, zie ik de woorden: ‘Je kunt de rivier niet duwen’. Met een schok realiseer ik me dat ik geen treffender kaartje had kunnen trekken. Want laat dit nu precies mijn grootste valkuil zijn! Altijd alles willen oplossen voor iedereen, koste wat het kost. Maar soms is de timing niet goed of wil iemand niet geholpen worden. Mijn leermoment is om mensen hun eigen fouten te gunnen, daar hebben ze recht op. Iemands pad loopt zoals het loopt voor een reden. Het beste dat ik kan doen is er eenvoudigweg zijn voor de ander en voorleven, met andere woorden laten zien hoe mooi het leven kan zijn als je je hart volgt. Dit doe ik inmiddels iedere dag, dus ik moet de rivier gewoon lekker verder laten stromen.

Tijdens het voorstelrondje luister ik met stijgende verbazing hoe de één na de ander voorleest wat er op het kaartje staat en vervolgens zichtbaar verrast vertelt hoe toepasselijk de spreuk momenteel voor hem of haar is. In sommige gevallen gaat de reactie op de spreuk zelfs zo ver dat mensen spontaan geëmotioneerd raken, compleet met tranen in de ogen of een hakkelende stem. De spreuken zijn allemaal verschillend en de deelnemers ook, maar toch is er keer op keer een perfect match. Uiteindelijk blijken de kaartjes in 100% van de gevallen (!) exact het dilemma of de situatie te verwoorden van degenen die ze getrokken hebben. Als dit in volle omvang tot me doordringt, voel ik een diep gevoel van dankbaarheid en ontroering opkomen.

Weer een voorbeeld dat toeval niet bestaat maar dat er een onzichtbare organiserende kracht is die ervoor zorgt dat we – als we ervoor open staan – precies op het juiste moment tot een noodzakelijk besef komen.

Volgende week het vervolg in deel 2!