Berichten

Dag des niet oordeels (2)

Als we heel eerlijk zijn, kennen we het verschijnsel allemaal wel; we zien iemand die naar onze (razendsnelle) overtuiging niet past binnen ons eigen groepje en hup, we hebben onze mening meteen klaar. Vaak is de drang om anderen te bekritiseren afkomstig uit de diep gewortelde behoefte om onze eigen capaciteiten, overtuigingen en waarden te toetsen.

De Amerikaanse professor en bestsellerauteur Brené Brown stelt dat schaamte, angst en bezorgdheid de ideale voedingsbodem zijn om anderen te veroordelen. Als we zelf door anderen veroordeeld worden, voelen we ons gekrenkt en beschaamd dus veroordelen wij op onze beurt weer anderen om onszelf beter te voelen.

Nog verder gaat de Amerikaanse schrijfster Byron Katie, die ons in haar boek Loving what is helemaal met de neus op de minder fijne feiten drukt. Zij gaat zelfs zo ver dat ze stelt dat datgene waaraan we ons bij anderen het meeste ergeren, juist ook datgene is waar we onszelf aan schuldig maken. Zij komt tot dit onrustbarende inzicht door toepassing van de turnaround, het omdraaien van jouw oordeel. De kern hiervan is dat je de naam van de persoon over wie je klaagt of oordeelt, vervangt door ‘ik’,  Een hele confronterende exercitie, kan ik je vertellen.

Voorbeeld 1:

Klacht: ‘Mijn moeder is zó dominant. Ik erger me groen en geel aan haar!’

Turnaround: ‘Ik ben zó dominant. Ik erger me groen en geel aan mezelf!’

Voorbeeld 2:

Klacht: ‘Ik kan mevrouw X niet uitstaan! Ze luistert nooit als ik haar iets vertel.’

Turnaround: ‘Ik kan mezelf niet uitstaan! Ik luister nooit als anderen iets vertellen.’

Voorbeeld 3:

Klacht: ‘Ik ben boos op en teleurgesteld in meneer Y omdat hij me niet waardeert.’

Turnaround: ‘Ik ben boos op en teleurgesteld in mezelf omdat ik mezelf niet waardeer.’

Get the point?

Als je van deze mentale dreun bekomen bent, kun je aan de slag om te werken aan jezelf zodat je hiervan af komt.

Wij mensen lijken meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen. Het is uiteindelijk altijd ons ego dat ons aanzet om ons ‘gelijk’ te willen halen door anderen te veroordelen. Het probleem met gelijk hebben is echter dat een ander dan per se ongelijk heeft. Hierdoor leidt veroordeling tot verwijdering in plaats van tot verbinding.

Een mogelijke oplossing voor dit probleem is om bewust aan dankbaarheid te doen. Probeer maar eens oprecht dankbaar te zijn en tegelijkertijd anderen te veroordelen. Dat gaat je niet lukken. Deepak Chopra adviseert om je ten opzichte van mensen die anders zijn dan jij zelf als ‘ouders’ te gedragen; zelfs de grootste ergernissen of tekortkomingen worden dan iets waarmee je ze zult willen helpen in plaats van ze ervoor te verketteren. Bijkomend voordeel is dat als je stopt met anderen te veroordelen, je tegelijkertijd ook je zelfkastijding beëindigt (denk aan de voorbeelden van Byron Katie).

Daarom daag ik je bij deze uit om ook eens een dag lang op te letten of je mensen taxeert en alvast een etiket opplakt of in een hokje stopt. Ben je echt tolerant of alleen deels? Ben  je verdraagzaam diep van binnenuit jezelf of alleen als het sociaal wenselijk is?

Sinds ik me jaren geleden bewust ben geworden van mijn (ver)oordelend gedrag, doe ik mijn uiterste best om niet meer in die val te trappen. Om een open mind te houden, om niemand buiten te sluiten. En hoewel ik inmiddels gelukkig veel verbetering zie, lukt het me helaas nog niet voor de volle honderd procent van de tijd.

Het belangrijkste is dat je je eerst realiseert wat je aan het doen bent, dan is er al veel gewonnen. De scheidslijn tussen ‘wij’ en ‘die anderen’ is flinterdun. Sterker nog, wij zijn zelf ‘die anderen’. Of zoals Brené Brown het zo mooi zegt in haar boek I thought it was just me (but it isn’t): ‘We zijn slechts één loonstrookje, één echtscheiding, één drugsverslaafd kind, één ernstige ziekte, één aanranding, één woest drinkgelag, één nacht onbeschermde seks of één buitenechtelijke affaire verwijderd van ‘die anderen’ – degenen die we niet vertrouwen, met wie we medelijden hebben, met wie we onze kinderen niet laten spelen, degenen die alle slechte dingen meemaken, degenen naast wie we niet willen wonen.’

Dat is de pijnlijke en ongemakkelijke waarheid.

 

Dag des niet oordeels (1)

Een jaar of zes geleden (voor ingewijden: in mijn periode vóór de uil) lees ik ergens dat mensen standaard zo zijn geprogrammeerd dat ze zich bewust of onbewust altijd met anderen (willen) vergelijken en dan meteen hun oordeel – positief of negatief – vellen.  Denk bijvoorbeeld maar eens aan al die onderzoeken die zouden uitwijzen dat we binnen twee (!) tot maximaal dertig seconden na een eerste ontmoeting onze indruk al klaar hebben. Stereotypen worden zelfs al in milliseconden geactiveerd.

Toen ik dit tot me door liet dringen was mijn eerste gedachte: Dat doe ik niet. Maar onmiddellijk hierna hoorde ik dat irritante innerlijke stemmetje vragen: ‘Of toch wel?’ Ik besloot er eens op te gaan letten. Vierentwintig uur later was ik me niet alleen rot geschrokken, maar was ik ook een illusie armer: ik deed niets anders.

Tijdens mijn proefperiode betrapte ik me er namelijk op dat ik inderdaad de hele dag alles en iedereen be- en soms zelfs ook véroordeelde. Vanaf het moment dat ik mijn ogen open deed totdat ik naar bed ging, nam ik iedereen voortdurend stilzwijgend, hardop of – in het ergste geval – luidkeels (zij het buiten gehoorsafstand) de maat. Ik veroordeelde mensen omdat ze er net iets anders dan anders uitzagen, hele andere dingen leuk vonden om te doen dan ik of zich publiekelijk anders gedroegen dan ik. Of ik het nu wilde of niet, op de een of andere manier viel het me op, keek ik ernaar en dacht of zei er dan het mijne van.

De ontdekking dat ik in de praktijk lang niet zo tolerant bleek te zijn als ik dacht bracht destijds bij mij een schok teweeg, temeer omdat ik oprecht van mening was (en nog steeds ben) dat je iedereen in zijn of haar waarde moet laten en niemand het verdient te worden buitengesloten.

Gewapend met de wijsheid dat je alleen datgene kunt veranderen waar je je van bewust bent, startte ik een zoektocht ter beantwoording van de vraag hoe dit in godsnaam mogelijk was. Mijn onderzoek leverde al snel een even eenvoudig als ontluisterend antwoord op: mensen zitten nu eenmaal zo in elkaar. We willen altijd graag ergens bij horen. Bij een bepaalde familie, sportclub, fanfare, vrijwilligersverband, vriendengroep, stadsdeel, geloof, seksuele geaardheid, nationaliteit of werkkring horen biedt een gevoel van geborgenheid, zekerheid en verbinding. Dat dit zelfs in negatieve zin zo werkt, bewijst de hele gangcultuur.

Het gevoel ergens echt deel van uit te maken raakt dus kennelijk een snaar die we allemaal hebben en waarnaar we altijd (onbewust) op zoek zijn. Het tragische is echter dat juist als we stevig in zo’n groepje zijn genesteld, we eerder geneigd zijn ons te gaan afzetten tegen iedereen die níet bij ons groepje hoort. Vanuit ons veilige collectief lopen we het risico een superioriteitsgevoel te krijgen en gaan we vergelijken en be- of veroordelen tot we een ons wegen. Dit leidt uiteindelijk tot een wij-zij gevoel. Als dit laatste de overhand krijgt, is de verbinding met alle anderen die buiten de groep vallen ver te zoeken.

Nadat ik was bekomen van de eerste schrik besloot ik dat ik zo snel mogelijk van mijn automatisch be- en veroordelingsgedrag af wilde. Zodoende ging ik me verder verdiepen in deze materie.

En toen werd het pas echt interessant.

 

Lees volgende week deel 2!